Om het risico, dat inherent is aan ondernemen, te beperken, kunnen ondernemers ervoor kiezen om hun onderneming binnen een vennootschap te voeren. Afhankelijk van het type vennootschap genieten de aandeelhouders van een beperkte aansprakelijkheid, waardoor hun risico (in principe) beperkt is tot het verlies van hun inbreng. Kan een aandeelhouder nog een stap verder gaan en ook zijn inbreng vrijwaren, waardoor hij risicovrij participeert in de vennootschap?

De meest voorkomende constructie om een risicovrije participatie te creëren, maakt gebruik van putopties. Aandeelhouder A (de risicovrij participerende aandeelhouder) is houder van een putoptie op zijn aandelen, waardoor hij het recht heeft zijn aandelen te verkopen aan aandeelhouder B en aandeelhouder B verbindt zich om deze aandelen aan te kopen. De overnameprijs wordt gelijkgesteld met de intekenprijs waartegen aandeelhouder A de aandelen verwierf. Indien de vennootschap verlies leidt, haar vermogen wordt aangetast en dus ook de boekhoudkundige waarde van de aandelen daalt, kan aandeelhouder A de putoptie lichten en zich zo vrijstellen van een bijdrage in het geleden verlies. Hij zal immers de intekenprijs ontvangen van aandeelhouder B.

De rechtsgeldigheid van deze constructie stond lange tijd ter discussie. De vrijheid van aandeelhouders om onderling afspraken te maken over de verdeling van de verliezen en de winsten van de vennootschap werd immers beperkt door het dubbel verbod opgenomen in artikel 32 van het W.Venn. (gekend als het “Leonijns beding/leeuwenbeding”). Het Leonijns beding verbood immers 1) de gehele winst toe te kennen aan één van de aandeelhouders en 2) één of meerdere aandeelhouders vrij te stellen van elke bijdrage in het verlies. Overeenkomsten gesloten in strijd met dit dubbel verbod werden nietig geacht.

Sommige rechtspraak en rechtsleer achtte de beschreven putoptieconstructie in strijd met het tweede verbod en dus nietig. Het Hof van Cassatie heeft in twee principe arresten de rechtsgeldigheid van de putoptieconstructie daarentegen erkend mits bepaalde voorwaarden vervuld zijn en zodoende het toepassingsgebied van het Leonijns beding verkleind. Er bleef echter enige onduidelijkheid bestaan over de precieze invulling van deze voorwaarden, waardoor de rechtsgeldigheid van deze constructie niet kon gegarandeerd worden.

In het WVV heeft de wetgever duidelijkheid verschaft door het tweede verbod van het Leonijns beding te schrappen. Voortaan zijn enkel overeenkomsten die aan één van de aandeelhouders de gehele winst toekennen of aan één of meerdere aandeelhouders deelname in de winst ontzeggen, verboden. Één of meerdere aandeelhouders vrijstellen van bijdrage in het verlies is dus mogelijk. In de memorie van toelichting motiveert de wetgever deze aanpassing door te verwijzen naar het leerstuk van de gekwalificeerde benadeling dat voldoende bescherming zou bieden voor de niet-risicovrij participerende aandeelhouders. Of de gekwalificeerde benadeling voldoende bescherming zal bieden aan de niet-risicovrij participerende aandeelhouders is nog maar de vraag, aangezien de rechtspraak slechts uiterst zelden aanvaardt dat er sprake is van een gekwalificeerde benadeling.

Daan Born, intui advocaten

daan.born@intui.be

www.intui.be

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *